Jezus komt aan in Bethanië, vier dagen nadat zijn vriend Lazarus is overleden … Jezus had eerder kunnen komen, maar dat heeft Hij niet gedaan … Terwijl hij dus vertraagde, stierf Lazarus.
Op het moment dat Jezus in Bethanië aankomt, komt Martha Hem tegemoet en groet Hem. Op het moment dat zij Hem ziet, zegt zij: ‘Heer, als U hier zou zijn geweest, dan zou mijn broer niet gestorven zijn’.
Hoort u in die uitspraak het bijtende verwijt? ‘Heer, als U hier geweest zou zijn, dan zou mijn broeder niet zijn gestorven’.
Ik kan me niet herinneren dat iemand ooit zo tegen mij is uitgevallen (misschien verdring ik dat …) Als ik die zin zo hoor, dan voel ik schaamte. Stel dat iemand dat tegen mij zou zeggen. Verschrikkelijk, wanneer iemand je recht in de ogen aankijkt en jou vertelt, hoe jij die persoon bent tegengevallen. Om te horen, dat iemand jou heeft vertrouwd. En dat jij die persoon dan hebt laten vallen. Een spijkerhard, maar eerlijk oordeel.
Wanneer zoiets je overkomt, dan zou je willen dat de grond onder je voeten openging en dat je jezelf zou kunnen laten verdwijnen.
Maar, in plaats van te trillen onder dat verwijt, antwoordt Jezus haar: ‘Maria, echt, jouw broer zal opstaan’. Dat klinkt bekend, vindt u niet? Je hele wereld stort in en een vriend, die op dat moment niet weet wat hij zeggen moet, en niet slim genoeg is om gewoon zijn mond te houden, zegt ‘Tja, zo gaat het in het leven’, of ‘Ja, je zult nooit vallen uit Gods hand’, of ‘kop op, na regen komt zonneschijn’. Wat dan gebeurt, is matmakende woede, zodanig, dat je het zou willen uitroepen ‘Mijn vrouw is net overleden! Ga jij me nou vertellen dat alles allemaal wel weer goed zal gaan komen? Het is helemaal niet goed! Vlieg op met die zonneschijn van jou!’
Martha drukte zich niet zo sterk uit als ik net zei. Ze zegt het wat subtieler. Martha antwoordt op die belofte, dat haar broer Lazarus zal opstaan uit de doden met de opmerking ‘Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opwekking ten jongste dage’. Ze had daar aan kunnen toevoegen: ‘Maar, wat heb ik daaraan vandaag …? Ik wil hem NU hier bij me hebben!’ Ze zou tegen Jezus hebben kunnen zeggen: ‘Jezus, jij bent door het land rondgegaan, je hebt zo veel vreemdelingen geholpen, allemaal mensen die je nauwelijks kende. En ik dan? Waarom kon je dat niet voor mij doen, voor mijn zus, voor mijn broer Lazarus, toch ook jouw vriend …? Waarom kwam je niet, toen wij je nodig hadden en wij jou hebben geroepen?’
Is die vraag ook niet onze vraag …?
Ik heb me ook wel eens afgevraagd, waarom God niet even een klein wondertje voor mij had kunnen doen, toen ik een paar dingen had, waarvan ik dacht: ‘dat is echt iets voor Hem?’
Sommige mensen zeggen, dat een goede God het nooit zou toestaan dat goede mensen zouden lijden.
Sommige Christenen zeggen dat …
Zij zeggen: ‘als je goed en voldoende geloof hebt, dan zal God alles ons geven, alles wat wij Hem vragen’.
Ik ken ook van die mensen, die bidden om zonneschijn in hun vakantie. Zij krijgen dat en zij zien daar Gods Hand in …, dat God hun geloof en vertrouwen op Hem daarin beloont.
Maar, dat is niet altijd wat de Bijbel zegt. Jezus zegt, en ik citeer Mattheus 5 (vs. 45) ‘Want uw Vader, die in de hemelen is, die laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen’. Dat betekent, dat gelovige mensen soms voorspoed hebben, maar soms ook niet. Net als ieder ander. Het betekent, dat wij niet mogen verwachten, dat onze levensweg altijd een rechte, effen weg is, omdat jij een gelovig mens bent. Gelovige mensen worden ziek, net als ieder ander. Gelovige mensen gaan ook dood, net als ieder ander.
Dat betekent niet, dat er geen – misschien een merkwaardig woord – dat er geen ‘nut’ is in het geloof. Ik ben ervan overtuigd, dat mensen die geloven, een uitgesproken profijt hebben. En ik geloof ook oprecht, dat God ons inderdaad helpt, wanneer wij Hem nodig hebben.
En toch: we zullen moeten toegeven: christenen lijden, christenen sterven. Dat is geen teken, dat God niet om ons zou geven. Dat is ook geen teken, dat ons geloof zwak is. Het is gewoon een levensfeit. Zo gaat dat nu eenmaal in ons menselijk bestaan. Wij lezen het ook in onze tekst van vandaag. Lazarus is een vriend van Jezus. En toch gaat hij dood. En ja, misschien had Jezus er sneller bij kunnen zijn. Maar dat is niet gebeurd.
Jezus zegt dan tot Zijn leerlingen, dat de ziekte van Lazarus er is, ‘opdat de heerlijkheid van God wordt geopenbaard’. ‘Opdat de Zoon erdoor verheerlijkt worde’. Die zin is vol van betekenis. Ik denk dat wij dat goed moeten horen. De situatie is als volgt. Lazarus ziekte en dood zijn er. Dat is er nu eenmaal. Maar dan, als dat er nu eenmaal is, dàn is het van belang, dat Gods heerlijkheid daarin wordt geopenbaard. Dat wil zoiets zeggen als: die situatie is dan een gelegenheid, waarin God Zijn kracht kan laten zien, waarin God toont, dat Hij in ons midden is, dat dit een plek is, waarin wij Gods liefde kunnen voelen.
Jezus komt te Bethanië. Vier dagen nadat Lazarus stierf. Dat Johannes schrijft ‘vier dagen’, dat begrip ‘vier’ is in ons verhaal belangrijk. In die tijd geloofden de mensen, dat de menselijke ziel na het sterven nog drie dagen in het lichaam bleef, in de verwachting dat de ziel zich nog opnieuw kon verenigen met het lichaam. Maar daarna, op de vierde dag, geeft de ziel het op en vertrekt. Vier dagen betekent: het is voorbij. Er is geen hoop meer.
Dat betekent dan ook, dat daar waar Jezus in staat blijkt om Lazarus tot het leven terug te brengen op de vierde dag, – op dat moment dus, waarop alles hopeloos lijkt – dan is daar een klinkend wonder. Mensen zullen God de heerlijkheid geven. En dat is ook precies, wat hier gebeurt.
De moeilijke tijden in ons leven kunnen God verheerlijken. Iemand heeft eens gezegd: ‘het gaat er in het leven uiteindelijk niet om, wàt er in je leven gebeurt; het gaat er uiteindelijk om welke betekenis je aan je levensgebeurtenissen kunt geven. Er zijn mensen, die in objectieve zin weinig is overkomen. Ze leven kabbelend en kalm. Maar àls er dan iets gebeurt: hun hele leven is van slag. Er zijn mensen, die in objectieve zin iets verschrikkelijks overkomt. En toch, wonder boven wonder: zij zijn in staat om de draad van hun leven weer op te pakken. Komt dat alles uit henzelf? Ik denk: die kracht word je ook geschonken. Het is één ding om God te danken en te prijzen wanneer alles goed gaat. Het is een ander ding om vertrouwen en geloof te hebben, juist dan wanneer alles verkeerd lijkt te gaan. Geloof, te midden van tegenslag, is een krachtig getuigenis. Geloof, te midden van tegenslag, verheerlijkt God.
Ik herinner me een jongen uit mijn vorige gemeente. Een fantastische vent. Voetbal was zijn grote hobby. In zijn vrije tijd: altijd voetbal. Motorrijden deed hij ook graag. Hoe verdrietig, hij krijgt een motorongeluk. En verliest zijn linkerbeen. Een dramatisch verhaal, waarin hij toch de kracht krijgt om met zijn prothese de draad van zijn leven weer op te pakken. En zelfs weer te sporten! Weet u wat hij op een gegeven moment tegen mij zei? Hij zei:
‘Wat doe je, wanneer een deel van je leven voor altijd van je wordt weggenomen? Hoe kun je je daarop aanpassen? Een ongeluk duwt je op een eenrichtingsweg. Als je eenmaal op die weg zit, dan is er nooit een terugkeer meer mogelijk naar het leven daarvoor. Je kunt niet meer terug, hoe zeer je daarnaar ook verscheurend kunt verlangen.
Wat je wel kunt doen, dat is dankzeggen voor alles wat is geweest.
Voor het goede dat er was, voor de gelukkige tijden, die je hebt beleefd, voor alle liefde die je mocht ontvangen, alle mooie tijden die je met elkaar hebt meegemaakt.
Als je dat rijtje hebt gemaakt, en daarvan afscheid hebt genomen, dan moet je je hand leggen in die van Hem, die hemel, zee en aarde heeft geschapen, die de oorsprong is van de zon, de maan en de sterren, en erop vertrouwen dat God voor ons een koers heeft, waarlangs onze baan zal gaan’.
Toen die jongen zijn been verloor: wat waren we allemaal, met hem, verdrietig. Maar toen hij op een gegeven moment terugkwam met dit getuigenis: hij stond weer midden op het veld. Hij toonde ons hoe hij, die ‘alles’ verloren had, in het midden van de pijn, toch weer op kon staan, weer kon lopen, hand in hand met God, vertrouwend, dat God hem zou leiden op de weg, die voor hem lag.
Ik denk: door dàt te doen (door dat te kùnnen doen) ‘verheerlijkte hij God’ en bracht hij grote eer, niet alleen aan zichzelf, maar ook aan zijn Schepper.
Moeilijke tijden geven God een gelegenheid, om ons te verlossen.
In Egypte: God schonk bevrijding door de Schelfzee.
In de woestijn gaf God bevrijding door het Manna.
In de hof van Getsemane gaf God de kracht om de kruisweg te gaan.
Bij het donker van het graf gaf God het opstandingslicht van de derde dag.
De bijbel is een lang verhaal van een God, die Zijn mensen verlossing schenkt.
In het geval van Lazarus was het God, die Lazarus opwekte uit de doden. Een bijzonder geval.
God laat niet veel mensen terugkeren uit de dood. En ook Lazarus is later weer doodgegaan.
Toch, desalniettemin: God schenkt ons verlossing.
Hoe die weg voor jou zal gaan … wie zal het zeggen? Kijk scherp met je ogen, luister scherp met je oren, stel je denken open, vouw je handen, concentreer gedachten op God, die is de bron van alle leven.
De belofte van het verhaal van Lazarus is niet, dat ons nooit een tragedie zal overkomen. Zeg nooit: God is de oorzaak van alle kwaad. God is niet de eerste oorzaak van alle kwaad; God Zelf is het eerste slachtoffer van alle kwaad.
De boodschap van het verhaal van Lazarus is óók niet, dat God ons nooit zal laten sterven.
600 jaar geleden schreef de Nederlandse mysticus Thomas a Kempis: ‘Geen mens, die niet de diepte van het aardse lijden kan verstaan, zal ooit de goddelijke hemelse zaken kunnen verstaan’.
Iemand anders, de Nederlandse theoloog prof. Hendrikus Berkhof, schreef in zijn boek ‘Christelijk Geloof’: ‘Wie de Paasmorgen wil vieren kan niet om de Goede Vrijdag heen’.
De Bijbelse belofte is deze: God wandelt met ons op, iedere dag, iedere minuut en ieder uur. Zelfs in de meest zware tijden ligt onze hand in de Zijne. Zelfs in het donkerste dal van de donkere schaduwen des doods houdt God ons bij de hand gevat. Dat is de belofte, dat God Zijn mensen verlossing schenkt. Soms is het leven zwaar, maar nooit is het hopeloos. Sluit je ogen, word stil. En je voelt jouw hand in de Zijne.
Denk hier eens over na. Gods zegen over u!
Ds. Jan Rinzema
TEKST
Lazarus uit de dood opgewekt
1Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Bethanië, het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden – 2dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer.
3De zussen stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4Toen Jezus dit hoorde zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’
9Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, 10maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’
11Nadat Hij dat gezegd had zei Hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, Ik ga hem wakker maken.’ 12De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13Zij dachten dat Hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was.
14Toen zei Hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15en om jullie ben Ik blij dat Ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ 16Tomas (dat is Didymus, ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met Hem te sterven.’
17Toen Jezus daar aankwam, hoorde Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was.
20Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze Hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ 23Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’
25Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
28Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zus Maria apart en zei: ‘De meester is er, en Hij vraagt naar je.’ 29Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta Hem tegemoet was gekomen. 31Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.
32Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ 33Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en Hij ergerde zich. Diep bewogen 34vroeg Hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’
Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35Jezus begon te huilen, 36en de Joden zeiden: ‘Wat heeft Hij veel van hem gehouden!’ 37Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, Hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’
38Weer ergerde Jezus zich. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zus van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’
40Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’
41Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek Hij omhoog en zei: ‘Vader, Ik dank U dat U Mij hebt verhoord. 42U verhoort Mij altijd, dat weet Ik, maar Ik zeg dit ter wille van al deze mensen hier, opdat ze zullen geloven dat U Mij gezonden hebt.’ 43Daarna riep Hij luid: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
(Johannes 11, 1-44)
GEBED
Heer, onze God,
Wij komen tot U
in momenten van verdriet en verwarring,
zoals Martha en Maria bij U kwamen
toen hun broer Lazarus gestorven was.
Soms begrijpen wij niet
waarom U niet eerder ingrijpt,
waarom het lijden ons treft,
waarom onze gebeden
niet direct worden verhoord.
Toch geloven wij dat U met ons meegaat,
ook als de weg zwaar is
en de uitkomst onzeker lijkt.
Geef ons de kracht om te vertrouwen,
zelfs als alles hopeloos lijkt.
Help ons te zien
dat moeilijke tijden
een gelegenheid kunnen zijn
waarin Uw liefde en kracht
zichtbaar worden.
Wij danken U voor alles wat is:
voor het goede, de liefde,
het plezier en de lach.
Help ons los datgene te laten wat voorbij is,
en onze hand in de Uwe te leggen,
vertrouwend dat U ons leidt op de weg
die voor ons ligt.
Heer, geef ons het geloof om U te verheerlijken,
juist in tijden van tegenslag,
en de moed om Uw zegen te zoeken,
elke dag opnieuw
Amen
Giften kunt u overmaken naar NL 28 ABNA 045 602 09 18 t.n.v. Preek van de Week, Blaricum